Het herkennen van faalangst
Make your own free website on Tripod.com
Het herkennen van faalangst

Cognitieve, sociale en motorische faalangst uiten zich op verschillende manieren. In de klas zijn het niet alleen onderpresteerders, maar ook zijn het regelmatig de kinderen die juist erg perfectionistisch zijn. Ze mogen van zichzelf geen fouten maken of geen lager cijfer halen dan een acht. Natuurlijk zijn er ook kinderen die hun onzekerheid tonen door alles nog een paar keer te komen vragen en steeds willen horen of ze op de goede weg zijn. Die onderken je het makkelijkst als faalangstig. Andere kinderen doen erg lang over om aan hun werk te gaan, ze hebben een sterke voorkeur voor bekend en makkelijk werk en mijden nieuwe taken. En weer andere kinderen maskeren hun foutengedrag door bijvoorbeeld clownesk gedrag te vertonen of overdreven brutaal te doen. Kortom: faalangst uit zich in vele vormen. Soms in een veelvoud van gedragsveranderingen. Dit maakt het voor de leerkracht niet eenvoudig. Een signaleringslijst als hulpmiddel kan de leerkracht op weg helpen.

Het goed observeren van het gedrag van de leerling en het opvangen van bepaalde signalen is dan ook van groot belang. Het levert een veelheid van gegevens op, die nodig zijn voor de begeleiding.

Het tijdschrift JSW heeft een signaleringslijst gemaakt voor faalangstige leerlingen in het basisonderwijs (klik hieronder op: 'signaleringslijst faalangst').
Deze signaleringslijst uit JSW is meer van toepassing op het signaleren van cognitieve faalangst. De volgende onderdelen uit deze lijst kunnen ook gebruikt worden bij het herkennen van motorische faalangst :fysiek vluchtgedrag, blokkering, terugtrekkend gedrag, onverschillig gedrag, negatief gedrag, en spanning.
De originele auteur heeft er geen sleutel bijgevoegd. De hulpverlener zou er zelf zijn of haar conclusies uit moeten trekken. Om toch een indicatie te geven, ben ik van mening dat het kind bij ongeveer vijf of meer ingevulde ‘vaak’- vakken faalangstig is. Bij zes of meer ingvulde ‘soms’- vakken, kan ook worden gesteld dat het kind faalangstig is.

Een andere signaleringslijst besteed aandacht aan de drie vormen van faalangst. Omdat de signaleringslijst niet geheel volledig was, heb ik er zelf een aantal vragen aan toegevoegd. Ik heb onderscheid gemaakt in de lijst, zodat er een (kort) signaleringslijst is voor:
MOTORISCHE FAALANGST (klik hieronder op: 'signalerinslijst motorische faalangst'). Men kan zeggen dat het kind bij het omcirkelen van vijf (of meer) keer het woordje 'vaak'het kind naar motorische faalangst neigt;

SOCIALE FAALANGST (klik hieronder op: 'signaleringslijst sociale faalangst'). Ik ben van mening dat je kunt spreken van sociale faalangst als het kind zes of meer 'vaak'scoort. Bij tienmaal 'soms'kan er in veel gevallen sprake zijn van deze vorm van faalangst;

COGNITIEVE FAALANGST (klik hieronder op: 'signaleringslijst cognitieve faalangst'). Bij elf of meer ingevulde ‘vaak’- vakken, kan men spreken van cognitieve faalangst. Mijn mening is dat bij ongeveer veertien omcirkelde ‘soms’- woorden, het kind cognitief faalangstig is.

Deze genoemde signaleringslijsten moeten worden gezien als een hulpmiddel voor de hulpverlener. De lijsten zijn niet te gebruiken voor alle groepen in de basisschool, een aantal vragen zijn niet van toepassing op bijvoorbeeld de groepen 1 en 2 (bijvoorbeeld de vragen over bepaalde toetsen en (mondelinge) overhoringen).

HET DIAGNOSTISEREN VAN FAALANGST

Belangrijk is om eerst een zorgvuldige diagnose te laten plaatsvinden voordat er met de begeleiding wordt begonnen.De vraag die dan gesteld wordt is: hoe komt het dat deze leerling faalangstig is? Heeft hij of zij vroeger vervelende ervaringen opgedaan met bijvoorbeeld een bepaald vak? Is het de omgeving die invloed heeft gehad op het kind? Etc.

Aan de hand van observatiegegevens kan er een handelingsplan voor de leerling worden opgesteld. Het blad JSW geeft een voorbeeld van een duidelijk handelingsplan (klik hieronder op: 'handelingsplan'). Omdat ik het handelingplan niet volledig vond, heb ik het zogenaamde ‘taakveld’ vervangen door het bredere ‘wat ga ik doen?

Voorzichtigheid bij het stellen van de diagnose blijft geboden. Een nauwkeurige omschrijving van faalangst voorkomt dat het als verklaring wordt gegeven voor andere problemen. Faalangst is tenslotte geen etiket dat per definitie op bepaald gedrag geplakt kan worden.
Als het duidelijk is dat de leerling faalangstig is, kan er overgegaan worden op de begeleiding.